De putter of distelvink (Carduelis carduelis) is een zangvogel uit de familie der vinkachtige. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de putter beslaat een groot deel van Europa en delen van Noord Afrika en het westen en midden van Azië, Hij komt vooral voor in open, licht beboste terreinen. In Europa zijn dit bijvoorbeeld tuinen, parken en bosranden. Daarbuiten is de putter ook in Australië, Nieuw- Zeeland, Noord en Zuid Amerika en Zuid Afrika te zien.

De putter is een relatief slanke vink met een kenmerkende koptekening. met een spitse snavel  en een diepgevorkte staart. Een volwassen vogel heeft een lichaamslengte van 11,5 tot 12,5 centimeter en een vleugel spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Het gewicht varieert tussen de 14 en 19 gram. Zijn rode gezicht is omlijst met een brede witte band, terwijl het achterhoofd zwart is. Over de zwarte vleugels loopt in de lengte een brede gele band. Verder is het verenkleed lichtbruin op de rug en de flanken, wit op de onderzijde en zwart op de staart.

De geslachten vertonen niet veel seksuele dimorfie. Het grootste verschil is de grootte van het rode gezichtsmasker. Deze loopt bij het mannetje tot voorbij het oog, maar bij het vrouwtje tot halverwege het oog.  De teugelstreep en schouders van het mannetje zijn diepzwart, maar die van het vrouwtje zijn lichter gekleurd. Het mannetje heeft bovendien een iets grotere snavel en smallere grijze toppen aan de kleine vleugeldekveren. In het zomerkleed is het gezichtsmasker en de gele vleugelstrepen van het mannetje feller gekleurd dan bij het vrouwtje.

Aan het eind van de winter zoekt het mannetje een geschikte nestplaats, meestal in een open bos of in een vrijstaande boomgroep. Het nest wordt alleen door het vrouwtje gemaakt, het mannetje houdt haar enkel gezelschap. Doorgaans is het nest binnen een week gereed. Enkele dagen nadat het nest gereed is, worden de eieren gelegd. De eieren worden doorgaans vroeg in de morgen gelegd, met intervallen van een dag. Gewoonlijk bestaat een broedsel uit  vier tot zes eieren, elk ei is lichtblauw en heeft donkerbruine vlekken en een glanzend oppervlak. Het ei heeft een gemiddelde grootte van 17,3 bij 13,0 millimeter en weegt ongeveer 1,5 gram. Het vrouwtje broedt de eitjes in 11 tot 14 dagen uit. De jongen worden door beide ouders gevoerd. Aanvankelijk krijgen ze zaden en insecten te eten, maar naarmate ze groeien krijgen ze steeds minder insecten.

Dertien tot achttien dagen na het uitbroeden vliegen de jongen uit. Ze worden daarna nog zeven tot negen dagen door de ouders gevoerd. Daarna vliegen ze in troepen rond en wijdden de ouders zich aan het tweede broedsel. Per jaar worden meestal twee, maar soms drie legsels grootgebracht.

De putter heeft een voorkeur voor kleine zaden, zoals die van distels en andere composieten. Dankzij zijn lange snavel kan de putter deze moeilijk te bereiken zaden bemachtigen. In een groot deel van zijn verspreidingsgebied is de putter de enige vogel die het zaad van kaarde bollen kan bereiken, welke zich aan de onderkant van lange, stekelige buizen bevindt. Behalve kleine zaden voedt de putter zich met bessen, knoppen (onder andere van de paardenbloem) en gras. In de winter bezoekt hij ook de voedertafel. De jongen worden ook gevoerd met allerlei insecten.

Categorieën: Wildzang

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *